zaterdag 26 december 2009
Mutabiliteit
mutabiliteit = veranderlijkheid; onbestendigheid
Ketens van veranderingen, slepen 't lot der stervelingen, door de ruwe levensbaan. Zo schrijft Johannes Immerzeel in zijn gedicht 'onbestendigheid'. Zo de veranderingen in het leven mij eerder niet werkelijk hadden aangegrepen, hebben ze me de laatste maand vlak bij de keel gegrepen om me langzaam door mijn 'ruwe levensbaan' te sleuren. De mutabiliteit van het leven is onverbiddelijk.
Ja. Ik heb tijden niet meer geblogd. Ja. Dit komt deels door NaNoWriMo. Als NaNoWriMo bezig is (schrijf een boek van minstens 50.000 woorden in 30 dagen) ben ik zo goed als van de wereld. Alles wat ik schrijf gaat dan naar NaNoWriMo. Dat verklaart november. Maar daarna, deze december, op de verjaarsviering van Sint Nicholaas, gebeurde er iets wat mijn leven veranderde.
De meeste mensen weten het al. Daarom zal ik niet te veel uitweiden over het verdriet, de onbegrip en het moeilijk verwerkingsproces dat nog steeds voortduurt. Feit is en blijft dat ik mijn vader kwijt ben geraakt aan de eeuwig sluipende dood.
Langzaam, in deze paradoxale gezelligste dagen van het jaar, ontstond mij het verlangen weer te bloggen. Hoe kon ik ooit weer verder gaan met mijn blogs, zonder deze verandering, de grootste in mijn leven tot nu toe, niet te beschrijven? Vandaar dat deze blog daaraan is gewijd.
Dit verhaal, deze gebeurtenis die naar mijn gevoel pas over jaren zal afzwakken tot een herinnering, begon niet op een zaterdag. Het begon op een vrijdag. Vrijdag was de dag waarop ik besloot niet naar colleges te gaan, want ik had het gehad met dat chinees en wilde vervroegd vakantie. Die avond ging ik naar een paar vrienden, we dronken op het goede leven en gingen tot laat in de avond door met het kijken van gruwelijke films waarin mannen vrouwen haten. Alleen dat feit maakte die film al gruwelijk. Het moge dan ook geen verrassing zijn dat ik pas om half zes 's ochtends weer thuis was. Ik had precies twee uur om te slapen, want ik zou om elf uur weer rijles hebben en moest de trein van kwart voor negen hebben. Daarbij opgeteld dat ik nog een half uur naar dat stomme station moest fietsen, maakte dat ik om tegen achten weer op moest.
Halfdood, zoals dat gaat als de nacht bijna helemaal doorgehaald is, vertrok ik wel precies op tijd naar het station.
Op dat moment had ik niet het minste vermoeden zoals men dat soms wel beweerde over intuïtie en dat soort ongein. Ik had niet het minste vermoeden dat ik voor twee weken lang weg zou zijn. Mijn ergste zorg, op dat moment, was of ik mijn tentamens wel zou gaan halen, en of ik de dag rond zou komen gezien ik koppijn had en verdoofd was van het slaaptekort.
Na de treinrit, waarin ik met alle macht probeerde niet te zakken in een diepe slaap om te voorkomen dat ik in Breda terecht zou komen, stapte ik in Rotterdam op de bus.
Ook toen ik uitstapte, naar huis liep, en voor mijn voordeur stopte, had ik niet geregistreerd dat de gordijnen van de woonkamer dicht zaten. Ik had niet gezien dat er meer auto's dan normaal op ons parkeerterrein stonden. Ik had ook niet het vermoeden dat de temperatuur in het huis lager was dan buiten.
Toen ging de deur open. Mijn moeder had me aan zien komen. Niets bijzonders, dat deed ze wel vaker.
"Zet even je spullen neer, ik moet je iets vertellen."
Mijn van slaaptekort verdwaasde hoofd zette de woorden van mijn moeder om tot betekenis, en zorgde ervoor dat ik mijn tassen neerzette. Langzaam.
"Er is iets ergs gebeurd."
Op dat moment had ik niet het vermoeden dat ik die middag nog een doodskist uit moest kiezen, niet het vermoeden dat er tientallen kaarten op de mat zouden verschijnen waarop ik met mijn paarse ballerina's en koude voeten stond, en ook niet het vermoeden dat wat mijn moeder zou vertellen totaal niet door zou dringen.
Ik wist namelijk precies wat zij zou vertellen. Ik was voorbereid. Er was iemand overleden.
"Je vader is overleden."
De schok kwam niet aan. Ik staarde haar verdwaasd aan. Nog altijd gedrogeerd door het slaaptekort. Nog altijd een beetje gepikeerd omdat ze me er niet doorliet en ik het koud had.
Ik hoorde mijn moeder op de achtergrond mompelen over hoe ze thuis was gekomen van nachtdienst, hoe ze mijn vader op de bank had gevonden, de ambulance had gebeld, en die nog alles hadden gedaan, maar er niets meer gedaan kon worden en het waarschijnlijk gewoon een fatale hartstilstand was geweest, maar mijn gedachtes gingen niet naar haar woorden uit. Ze gingen naar de betekenis van die vier woorden uit die ze zo vol rampspoed had gezegd.
Wacht eens even? Je? Niet 'Mijn' maar 'Je'?
De waarheid was te ongeloofwaardig, en ik wachtte totdat ze zou overschakelen op een 1 april/5 december grap. Maar toen dat niet meer kwam, moest ik weg. Ik moest weg. Ik vluchtte dan ook zonder woorden naar boven.
De rest van december ging als een roes voorbij. Die eerste week kreeg ik het idee dat ik al mijn tranen die ik ooit zou kunnen produceren in één keer op verbruikte, zodat ik nooit meer van mijn leven zou kunnen huilen. Ik was nog wel zo ver bij mijn positieven dat ik per se een gedichtje voor de kaart zelf wilde maken. Het mocht geen gedichtje zijn dat versleten was en vaak gebruikt. De crematie, mijn vader had het er altijd over dat hij een crematie wilde, verliep echter zonder dat ik een traan liet. In de volgwagen werd het me dan wel te veel, maar zodra ik bedacht dat ik wel degelijk nog wat wilde zeggen tijdens de plechtigheid, heb ik me zo geconcentreerd op het nog iets op papier zetten, dat ik geen moment een emotie toestond. Eén emotie zou leiden tot instorten. Instorten zou ervoor zorgen dat ik geen woord door mijn keel kon krijgen. En dát, dat zou ik niet laten gebeuren. Het werd zelfs bijna, bijna, gezellig toen ik tijdens het condoleren naar mijn vrienden ging. Ik ben hen nog steeds, stuk voor stuk, erg dankbaar dat zij waren gekomen.
Ik heb verschillende mensen verschillende details verteld. Soms te moe om ook maar iets te zeggen, soms zo vol van emotie dat ik iets kwijt moest. Nu, nog altijd half verdoofd en vol ongeloof, moest ik het verhaal in globale vorm, met hier en daar details, kwijt. Toen ik deze blog begon, vroeg ik iemand om een woord te prikken in het woordenboek. Zij kwam met dit toepasselijke woord; mutabiliteit. Ik vond een gedicht van Johannes Immerzeel dat net zo goed past bij deze blog als het woord, vandaar dat ik hier mee afsluit.
ONBESTENDIGHEID
Vlottend op verwisselingen,
Drijven de ondermaanse dingen
Langs de snelle tijdstroom af.
Niets heeft vastheid, niets wil duren:
Op de vlucht der jagende uren
Stuift ons lot daarheen als kaf.
Wat is voorspoed? wat zijn rampen?
Niets dan lichaamloze dampen,
Ras gerezen, ras verdeeld.
Zie de hongerige dagen
Aan elkanders vruchten knagen,
Woedend op hun eigen teelt.
Ketens van veranderingen
Slepen 't lot der stervelingen
Door de ruwe levensbaan.
't Is met alles wat wij bouwen,
Waar we op rusten of vertrouwen:
Zo geworden, zo vergaan!
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Cindy, ik vind het een mooie blog!
BeantwoordenVerwijderenPrachtige blog, Cindy!
BeantwoordenVerwijderenEn sterkte!
Oh, zo'n blog moet echt moeilijk zijn geweest om te schrijven. Ik vind dat hij prima is 'gelukt'. Knap! En natuurlijk heel veel sterkte met het verwerken van je verlies.
BeantwoordenVerwijderen